Geweldig dat er nu meer aandacht komt voor de invloed van leefstijl op de gezondheid, de zogenaamde leefstijlgeneeskunde. Dat is echt verheugend nieuws! Ik zal proberen mijn mond te houden over het feit dat deze relatie jarenlang gewoon onder tafel geveegd, ontkend en gebagatelliseerd is. Echt, ik zeg er niets meer over, zo blij ben ik met de huidige ommekeer.

 

Nou ja, zo blij..

 

Ik wil de feestvreugde niet bederven met een kritische noot, en al zeker geen mensen demotiveren, maar ik denk dat we echt de slingers nog niet op kunnen hangen. Naar mijn idee is de manier waarop we nu de leefstijlgeneeskunde gaan uitvoeren niet de meest optimale.

 

Het probleem wat ik nu zie ontstaan, is namelijk dat artsen en leefstijlcoaches leren om hun patiënten en cliënten bij de hand te nemen om hun gedrag te veranderen. Ze moeten anders gaan eten (volgens de schijf van vijf, dus de gevulde koeken en patat laten staan) en ze moeten meer bewegen. Lees: verplicht naar de sportschool of bij een sportvereniging aan de gang.

 

De zorgverzekeraars gaan zo’n begeleidingstraject door een gecertificeerd leefstijlcoach gedeeltelijk vergoeden. Zij worden betaald om mensen bij de hand te nemen en hen te motiveren om op wilskracht en discipline het roer om te gooien.

 

En weet je wat? Het werkt, voor zo lang het duurt…

 

Want daar wringt de schoen.

 

Bij de meerderheid van de mensen werkt discipline maar eventjes, zodra de begeleiding wegvalt, of er iets stressvols gebeurt (maar wie maakt er nu stressvolle dingen mee?), of je lichaam protesteert… dan val je weer terug in je oude gedrag.

 

En dat is geen zwakte of een gebrek aan doorzettingsvermogen. Nee, dat is normaal.

 

Ik denk persoonlijk dat leefstijlgeneeskunde moet beginnen met onderzoek naar de oorzaak van ongezond gedrag.

 

Ligt dat in onwetendheid (gewoon geen idee hebben wat gezond gedrag is), in sociale aspecten (opgevoed zijn met frituur of elke dag borrelen), in financiële aspecten, (geen geld hebben voor gezond gedrag), in mentale/emotionele aspecten (troostvoeding), of in fysieke aspecten (zoekt je lichaam brandstof voor een overactief immuunsysteem, heb je misschien diabetes of een trage schildklier)?

 

Vaak is het een combinatie van een aantal van deze aspecten.

 

Wat gebeurt er dan als je met het opgeheven vingertje gaat vertellen dat iemand de verkeerde keuzes maakt? Zou hij/zij dit zelf niet al weten? Wat doe je met mensen die niet willen bewegen en veel snaaien vanuit een behoefte van het lichaam? Hoe ga je mensen die geen geld hebben toch volwaardig laten eten?

 

Persoonlijk denk ik dat een gezond lichaam geen ongezonde keuzes nodig heeft. Wie echt gezond is, zal niet gauw de behoefte hebben aan tussendoor snaaien. Een gezond lichaam wil ook graag bewegen.

 

Wanneer je niet gezond bent, is het vermijden van bewegen heel normaal. Dan ben je niet lui, maar spaar je energie om je lichaam problemen op te laten ruimen. Je gaat dan vanzelf ook eerder op zoek naar voedsel wat veel energie geeft.

 

In feite ga je in zo’n situatie met zo’n leefstijladvies dwars tegen de lichamelijke behoeftes in. Geen wonder dat het gedoemd is te mislukken.

 

Hoe moet het dan wel?

 

Om te beginnen zou ik willen inzetten op onderzoek naar de oorzaak van het ongezonde gedrag. Wanneer het een pure mentale kwestie zou zijn (en wanneer is het puur mentaal?), kun je met bewustwording al veel bereiken. Maar naar mijn ervaring spelen fysieke processen bij de meerderheid van de mensen een grote rol.

 

En dan hebben we het over sluimerende ‘ontstekingsprocessen’ door bijvoorbeeld verkeerde voeding, te veel antibiotica gebruik of langdurige stress, of is er sprake van een verborgen diabetes of hypothyreoïdie. (Hoe het komt dat je moeilijk gewicht verliest bij een trage schildklier leg ik uit in deze cursusdag voor professionals).

 

Uit Israëlisch onderzoek blijkt dat we allemaal anders op voeding reageren. De een krijgt bijvoorbeeld een hoge glucosespiegel van een ijsje en de ander van een banaan. Wanneer we dan mensen in de leefstijlbegeleiding allemaal over één kam scheren, zullen de resultaten uiteindelijk tegenvallen.

 

Laten we dus eerst maar eens beginnen met rekening te houden met de biochemische individualiteit en stoppen met de oude en achterhaalde ‘one size fits all’ aanpak. De behandelaars op deze site weten daar alles van.

 

Yvonne van Stigt, master in de klinische Psycho, Neuro, Immunologie

 

Kuitkramp

Au, wat doet dat verschrikkelijk zeer. Midden in de nacht je bed uitschieten met kuitkramp! Voetballers die te een te lange wedstrijd moeten spelen hebben er ook nogal een last van, dan gaan ze op hun rug liggen en worden hun tenen naar achteren gebogen. Dat is lastig als je in bed ligt, dan zit er maar één ding op: meteen je bed uit en op je tenen gaan staan en langzaam op je hielen zakken.

 

Waardoor ontstaat die kramp eigenlijk?

 

Als je de vraag op fora of in Facebookgroepen stelt roept 90% van de mensen meteen dat kramp wordt veroorzaakt door een magnesiumtekort.

 

Is dat ook zo?

In een deel van de gevallen wel ja, maar heel vaak ook niet.

 

In feite is kramp een energietekort in de spieren, dat klinkt raar, want je spant een spier heel erg aan, hoe kan het dan een energietekort zijn?

Een spier kortdurend aanspannen is in feite energiezuiniger dan een spier ontspannen. Dat zie je bij alle spierspasmen, dat zijn in feite energietekorten.

 

Om energie te kunnen maken in spieren heb je om te beginnen zuurstof nodig en een aantal belangrijke nutriënten, waaronder de zogenaamde elektrolyten. Deze opgeloste zouten (mineralen dus) bevinden zich in de vorm van ionen (elektrisch geladen deeltjes) in het bloed. De belangrijkste elektrolyten zijn natrium (Na+), kalium (K+), chloride (Cl-) en bicarbonaat (HCO3-). Maar ook magnesium, calcium, ijzer en koper spelen een belangrijke rol.

 

De opgeloste zouten helpen bij het transport van voedingsstoffen en afvalstoffen van en naar de cellen, zodat daar (wederom met behulp van mineralen) energie gemaakt kan worden. Je hebt overigens ook voldoende water nodig om de voedingsstoffen naar de cellen te vervoeren. Bij sommige mensen is alleen meer water drinken dan ook de oplossing.

 

Wanneer de mineralen (elektrolyten)balans in de spieren verstoord is, ontstaat er kramp.

 

Die verstoring kun je meestal maar moeilijk in het bloed terugvinden. Wat je kunt meten in het bloed is niet hetzelfde als wat er zich afspeelt in en rondom de spiercellen.

 

Wanneer magnesiumsuppletie het probleem niet oplost, kan het een kaliumtekort zijn, maar ook een ijzertekort, een calciumtekort, een fosfortekort, een natriumtekort of een kopertekort. En om het nog wat gecompliceerder te maken, ook een disbalans tussen al die mineralen.

 

Het optreden van kramp lijkt een onschuldig probleem, maar toch zou ik het niet accepteren als iets wat erbij hoort. Mineralenverstoringen liggen namelijk aan de basis van vele ziektebeelden. Tijd om op zoek te gaan naar de oorzaak dus. (En sorry, niet alle huisartsen weten hoe ze hiermee om moeten gaan.)

 

Eén van de veel voorkomende oorzaken van kramp is een kaliumtekort in de cel (en dus niet in het bloed). En dat is iets wat regelmatig voorkomt bij mensen bij wie de bijnieren minder goed functioneren, door chronische ontstekingsreacties, allergieën of langdurige stress. (En alsjeblieft, laten we dat woord bijnieruitputting nu eindelijk eens vergeten.Waarom? Dat lees je hier!)

 

Kuitkramp is dus zeker iets om serieus te nemen. Misschien kun je eens bij één van deze behandelaars langs gaan voor advies.

 

Een oude volkswijsheid zegt dat je bij kuitkramp een stuk zeep in je bed moet leggen. Dat kan helpen, omdat in zeep (mineraal)zouten aanwezig zijn die lokaal via de huid kunnen worden opgenomen. Maar dat is jammer genoeg alleen maar symptoombestrijding. Daarmee ben je misschien wel van je kramp af, maar heb je de oorzaak niet opgelost.

 

Yvonne van Stigt, master in de klinische, Psycho, Neuro, Immunologie

Zo langzamerhand begint door te dringen dat je gezondheid niet afhangt van een paracetamolletje, maar dat het aanpassen van je leefstijl toch echt effect heeft op hoe je jezelf voelt. Jarenlang is die relatie ontkend, maar gelukkig is er steeds meer onderzoek dat uitwijst dat leefstijl een belangrijke factor is in het verbeteren van de gezondheid en het voorkomen van ziekte.

 

Maar ja, dan vraag je jezelf af HOE je dan je leefstijl moet veranderen.

 

Wat is nu de beste manier van eten, bewegen of suppletie? Ga je vegan, ketogeen, of leven volgens de schijf van vijf? Ga je hardlopen, joggen, wandelen of naar de fitness? Moet je nu een multi-vitaminenpreparaat slikken of neem je alleen extra visolie?

 

Er zijn vele adviezen die worden neergezet als de oplossing voor alle problemen. Dingen zoals: “An apple a day keeps the doctor away.”

 

Wie mijn blogs vaker leest, weet dat ik geen enkel leefstijladvies zie als zaligmakend. Zo kennen alle adviezen voor- en nadelen. Groene smoothies kunnen heilzaam zijn of je kans op nierstenen vergroten. In het ene onderzoek leven vegetariërs langer en in het andere loop je kans op tekorten bij een vegetarisch dieet. Jakkes wat verwarrend, kan het nu niet simpel zijn. Een groene smoothie die gewoon gezond is voor iedereen?

 

Nee, helaas.

 

Er bestaat zoiets als biochemische individualiteit, ofwel, we zijn allemaal anders.

 

Onze reacties op voeding- of bewegingsadviezen hangen af van een combinatie van factoren. Je genetische aanleg bepaalt samen met alle levensomstandigheden waarin je leeft hoe je reageert op leefstijlveranderingen. De één heeft veel stress waardoor gezond eten moeilijker wordt en de ander eet heel makkelijk elke dag gezond. Voor sommigen van ons is een vegan dieet dé manier om gezond te worden, terwijl voor anderen het verminderen van koolhydraten de oplossing is.

 

Hoe kan het dan dat wij het allemaal met dezelfde adviezen moeten doen?

Het antwoord daarop is eigenlijk heel simpel.

Omdat het heel lastig is om te onderzoeken hoe het dan wel moet.

Het meeste onderzoek is nu eenmaal gericht op grote groepen mensen en meestal niet op het individu.

 

Toch denk ik dat een leefstijlverandering pas een kans van slagen heeft als je begrijpt waarom mensen de ‘verkeerde’ keuzes maken en wat voor hen dan wel een betere keuze zou zijn. In feite dien je dus een individuele handleiding te schrijven. En dat is iets wat de gemiddelde leefstijlcoach nu eenmaal niet in huis heeft.

 

Door de ervaring vanuit de orthomoleculaire geneeskunde (waar we nu eenmaal veel puzzelen in de biochemie) hebben wij bij het OPFG een methode ontwikkeld om wel je individuele handleiding te ontdekken. Wij geven regelmatig cursussen, waarin je leert welke leefstijlveranderingen bij jou passen. Hoe jij het beste kunt eten, bewegen of wat je nodig zou kunnen hebben aan suppletie. Maar ook hoe jij leert met stress om te gaan en hoe je weer meer energie tot je beschikking kunt krijgen.

 

Neem eens een kijkje op onze website, om te zien of er binnenkort een cursus start die je verder kan helpen.

 

Yvonne van Stigt, master in de klinische Psycho, Neuro, Immunologie

Deze week was in het nieuws dat steeds meer mensen kampen met eczeem. De meest recente cijfers van het CBS geven aan dat in 2017 wel 5,5% van de bevolking last had van eczeem. Dat zijn ongeveer 900.000 Nederlanders. Het vermoeden bestaat dat deze groei het gevolg is van een verbeterde hygiëne, dat we steeds minder in contact komen met beschermende bacteriën.

 

Ik denk zeker dat dit fenomeen een rol speelt, maar misschien anders dan de meeste mensen denken.

 

Naar mijn idee gaat het niet alleen om hygiëne, maar vooral om de invloed van goede bacteriën in de darmen.

Wanneer de darmflora uit balans raakt, is de kans op het ontstaan van immuun gerelateerde aandoeningen groter. Dat is niet zo gek als je bedenkt dat het grootste deel van immuunsysteem in de darm gesitueerd is.

 

Er zijn inmiddels bergen wetenschappelijke publicaties die de effecten van het microbioom op immuun gerelateerde aandoeningen zoals eczeem beschrijven. Ik kom op al 4644 hits wanneer ik gut microbiota + immune intik in Pubmed. Succes met lezen, zou ik zo zeggen.

 

Natuurlijk heeft een verbeterde hygiëne effect op de samenstelling van de darmflora (dat heet tegenwoordig microbiota), maar er zijn meer factoren die de hierbij een rol spelen.

 

Wat zou je zeggen van het gebruik van antibiotica?

Zou dat geen grote rol spelen?

 

Natuurlijk wel.

 

Maar er zijn meer redenen waarom de samenstelling van onze darmflora steeds slechter wordt.

 

En misschien raad je het al, het gaat over voeding.

 

Onze darmbacteriën hebben voeding nodig en de beestjes die wij hard nodig hebben voor onder meer een gezonde huid zijn dol op vezels en dan vooral vezels uit groenten. En die eten we steeds minder. Sinds de jaren 70 zijn we steeds meer bewerkte voeding gaan eten. In bitterballen, gevulde koeken, chips en pizza vind je maar weinig gezonde vezels. In groenten, peulvruchten, noten, fruit en de juiste graanproducten vind je die wel.

 

Er bestaan twee soorten vezels, oplosbare en onoplosbare vezels. Er is een groot verschil tussen deze twee soorten. We denken bij vezels meestal alleen aan de onoplosbare vezels zoals je die in graanproducten vindt. Maar die onoplosbare vezels kunnen niet door de darmflora gebruikt worden als voedsel en de oplosbare vezels wel. Daarom zijn de vezels uit brood wel geschikt om vocht op te nemen en obstipatie tegen te gaan, maar niet om de darmflora (en indirect het immuunsysteem) te versterken.

 

Behalve vezels eten zijn er meer dingen die je zelf kunt doen om eczeem te verminderen. En ja, ook dat kan via voeding.

 

Je kunt een iets ontregeld immuunsysteem tot rust brengen door je voeding aan te passen. Wanneer je stopt met eten van zaken waar je immuunsysteem op reageert, zal ook de huid verbeteren. Maar het lastige is dat die reacties niet altijd in bloedonderzoek terug te vinden zijn. Dan spreken we over een intolerantie in plaats van een allergie, maar het maakt voor het effect niet zoveel uit.

 

Een aantal bekende eczeemuitlokkende voedingsmiddelen zijn zuivelproducten, granen (waaronder tarwe) nachtschadeplanten (waaronder tomaten), soja, vis en een aantal chemische toevoegingen. Maar natuurlijk is dat niet het enige, je kunt op van alles reageren.

 

Om uit te zoeken hoe het met je darmflora gesteld is en welke voedingsmiddelen voor jou niet geschikt zijn, kun je vaak wel wat hulp gebruiken. Professionals die je hiermee kunnen helpen vind je hier. En nee, zij zullen niet aankomen met zalfjes en smeerseltjes. Zij zullen je helpen om je huid van binnenuit te helpen genezen. Want dat is tenslotte waar de oorzaak ligt.

 

Yvonne van Stigt, master in de klinische Psycho, Neuro, Immunologie

Door de Groene Zusters is mij gevraagd om in september aandacht te besteden aan borstgezondheid en omdat ik dit initiatief een warm hart toedraag zal ik mijn blog van vandaag wijden aan het thema borstgezondheid.

 

Voor het merendeel van de mensen betekent borstgezondheid niet meer dan het regelmatig checken van de borsten op onregelmatigheden en na een bepaalde leeftijd zo af en toe een bezoekje brengen aan de ‘borstenbus’, waar je borsten gewoonlijk niet al te zachtzinnig tussen twee platen geplet worden om een goede foto te kunnen maken.

 

In feite investeren we dus in diagnostiek en noemen dat preventie.

 

Preventie heeft voor mij een andere betekenis.

 

Wie gezond wil blijven en borstkanker wil voorkomen, kan gelukkig best iets meer doen dan ‘er op tijd bij zijn’. Nee, het krijgen van borstkanker is niet alleen een kwestie van pech, ook al wordt dat helaas nog steeds zo gezien in de gangbare geneeskunde.

 

Maar voordat je nu boos afhaakt of in de pen klimt om mij de huid vol te schelden, kun je misschien even doorlezen en de nuance uit mijn betoog volgen.

 

Nee het is niet louter pech, maar je bent zeker ook niet schuldig aan het ontstaan van borstkanker.

 

Laat het me uitleggen.

 

Ons lichaam is een zeer fijn afgestemde biochemische machine, waarbij kleine haperingen in het systeem grote gevolgen kunnen hebben. De basis van je gezondheid begint bij je individuele genetische constitutie, de een heeft nu eenmaal wat meer compensatiemogelijkheden dan de ander.

 

Je genen zeggen dus alleen maar iets over de basiscapaciteit, zie deze maar als een pistool. Een pistool gaat niet af zonder dat iemand de trekker overhaalt.

 

Degene die de trekker overhaalt moet je zien als de omstandigheden die bepalen of bepaalde ziekmakende genen ook echt actief worden. Het hebben van een ziekmakend gen alleen is niet genoeg om ziek te worden.

 

En daar komt jouw rol als bestuurder van je eigen voertuig in beeld, je hebt dus wel degelijk invloed op de werking van je systeem. Het is alleen de vraag in hoeverre je invloed kunt uitoefenen op je systeem om borstkanker te voorkomen. Want dat is niet bij iedereen even makkelijk.

 

Wanneer je drager bent van een gemuteerd BCRA gen is de kans op het krijgen van borstkanker veel groter dan wanneer je dat niet bent. Voor mensen met deze erfelijke variaties is een gezonde levensstijl geen garantie op het voorkomen van borstkanker, maar dat betekent niet dat een gezonde levensstijl helemaal geen effect zou hebben.

 

Voor anderen die geen drager zijn van deze zogenoemde borstkankergenen is het ontstaan van kanker ook niet altijd te voorkomen met een gezonde leefstijl. Zo simpel is het nu eenmaal niet. Maar er is wel veel wat je zelf zou kunnen doen om de kansen in elk geval zo klein mogelijk te maken.

 

Iets wat je misschien niet verwacht inzake borstgezondheid is dat je er verstandig aan doet om eens lief te zijn voor je lever. En dan bedoel ik niet dat je lieve woordjes tegen je lever moet gaan zeggen. Nee, je zult je lever een handje moeten helpen, zodat deze is staat is om hormoonverstorende toxische stoffen en een teveel aan eigen hormonen af te breken, want daar wringt nogal eens de schoen.

 

Dat doe je door je lever niet te belasten met alcohol, sigarettenrook, drugs, bergen fastfood, veel zoetigheid, een overmaat aan stresshormonen, de anticonceptiepil of xeno-oestrogenen (dat zijn hormoonverstorende stoffen zoals bijvoorbeeld weekmakers in plastic). Ook is het zinvol om te checken of jouw lever geen overuren draait doordat er in je darmen van alles misgaat. Bij een dysbiose  kunnen onvriendelijke bacteriën stoffen produceren die je lever belasten, maar ook enzymen die de lever tegenwerken.

 

Tja, en dat zijn nu net dingen die je zelf niet zo in de gaten hebt. Een van de verschijnselen van een lever in nood is een snel opkomende verlammende vermoeidheid. Wanneer je dit herkent, kun je de lever ondersteunen in zijn werking met bijvoorbeeld kombucha of bitterzoutvoetenbadjes. Er zijn ook voedingsmiddelen en kruiden zoals broccolikiemen, paardenbloemthee, artisjokken, curcuma, mariadistel en gember die je lever een handje helpen. Voor sommige mensen kunnen deze maatregelen voldoende zijn om het probleem op te lossen, maar gewoonlijk is het wenselijk om ook de balans in de darmen te herstellen.

 

O jee, dan komen we weer uit bij die darmen.

 

Maar hoe doe je dat dan?

 

Er zijn drie soorten maatregelen. Ten eerste zul je moeten kijken of datgene wat je in je darmen moet verwerken wel klopt (lees: pas je voeding aan). Ten tweede zul je moeten onderzoeken welke bacteriën, schimmels of parasieten bij jou de boel op zijn kop zetten. En vervolgens zul je moeten uitpuzzelen hoe de indringers zijn binnengekomen waarom jouw immuunsysteem hen niet heeft opgeruimd.

 

Die laatste twee zijn geen doe-het-zelf-klus, daar heb je hulp bij nodig van een professional (je vindt ze hier). Maar het eerste (je voeding aanpassen) is wel iets wat je grotendeels zelf kunt doen.

 

Begin eerst met het bijhouden van een voedingsdagboek waardoor je kunt zien welke voedingsmiddelen eventueel klachten veroorzaken (hier vind je zoiets). Houd ook eens bij hoe je hartslag reageert na het eten. Als je hartslag meer dan 10-15 slagen per minuut stijgt na een maaltijd weet je al dat je iets eet waar je lichaam niet zo blij van wordt. Soms heb je snel uitgevonden wat dat is en soms heb je daar hulp bij nodig.

 

Zodra je darm in balans is, kan je lever zijn aandacht geven aan het afbreken van overtollige hormonen en toxische stoffen. En dat is een goed begin voor gezonde borsten.

 

Yvonne van Stigt, master in de klinische Psycho, Neuro, Immunologie

 

P.S. Wie zich afvraagt wat het plaatje te maken heeft met borstgezondheid… Deze afbeelding is een van de weinige afbeeldingen van blote borsten die door Facebook getolereerd wordt.

In de afgelopen 10 jaar is er nogal wat veranderd in gezondheidsland. Luisterden patiënten voorheen nog braaf naar wat de arts vertelde, tegenwoordig worden patiënten steeds mondiger. De patiënt is een kritische zorgconsument geworden.

 

Voor artsen is dat behoorlijk frustrerend en ik hoor hen regelmatig klagen over de internetwijsheid waarmee patiënten denken hun artsen te kunnen overtuigen.

 

Ik begrijp dat wel.

 

Als je jaren gestudeerd hebt, is het natuurlijk onbegrijpelijk dat je patiënten denken het beter te weten met wat bij elkaar ‘gegooglede’  kennis.

 

Wat deze artsen zich niet realiseren, is dat niet alle kritische zorgconsumenten zomaar wat kennis bij elkaar googelen, maar dat er wel degelijk mensen goed geïnformeerd worden door lotgenoten en kritische professionals. Net zo min als dat alle wetenschappelijke studies dubieus zijn, zijn alle zorgconsumenten slecht geïnformeerd. Het is de kunst om genuanceerd te blijven kijken.

 

Iets wat door zorgprofessionals over het hoofd gezien wordt, is het feit dat zorgconsumenten op zoek gaan naar informatie op basis van hun negatieve ervaringen. Wanneer je vakkundig van je blaasontsteking afgeholpen wordt, ga je niet op zoek naar lotgenoten. Je wordt pas kritisch door negatieve ervaringen.

 

In de huidige tijd vinden lotgenoten elkaar in besloten Facebookgroepen en wisselen daar ervaringen uit. Nu zou je die groepen als broednesten van kwakzalverij kunnen bestempelen en vervolgens die groepen door Facebook laten verwijderen (echt hè, dat gebeurt), maar zou een groep niet vanzelf doodbloeden als de daar uitgewisselde adviezen niet zouden werken?

 

Ik lees dagelijks de negatieve ervaringen met de reguliere benadering van schildklierproblemen van mensen in een schildkliergroep. Zij voelen zich niet serieus genomen door hun artsen en zoeken steun bij elkaar. Zij adviseren elkaar hoe zij zich met lifestyleaanpassingen beter kunnen voelen, maar ook welke bloedonderzoeken de arts zou moeten doen om bijvoorbeeld een ziekte van Hashimoto of Graves aan te tonen.

 

Zelf ben ik lid van zeker een honderdtal internationale Facebookgroepen waar over specifieke onderwerpen heel veel wetenschappelijke informatie gedeeld en bediscussieerd wordt. In deze groepen heb ik meer over de biochemische processen van het lichaam geleerd dan in mijn gehele studie.

 

Er zijn ook kritische professionals die een boekje open doen over dubieuze wetenschap. Deze informatie komt door de social media razendsnel bij een groot publiek terecht. Een zeer recent voorbeeld is het boek van epidemioloog Dick Bijl. Hij legt in zijn boek ‘Het Pillenprobleem’  haarfijn uit hoe men regelmatig bij de neus genomen wordt door rammelend wetenschappelijk onderzoek.

 

In een Interview met de Volkskrant laat hij zich ook uit over de vaccinatiediscussie:” Steeds meer ouders weigeren om hun kinderen te laten vaccineren omdat ze de farmaceutische industrie wantrouwen. Uw kritiek geeft die groep wel de wind in de zeilen.

‘Ik ben helemaal niet tegen vaccinaties, maar ik zie wel dat de overheid onvoldoende in staat is om een adequaat wetenschappelijk antwoord te geven in dit soort brandende kwesties. Ja, dan gaan mensen zelf op zoek naar informatie. Een paar jaar geleden heb ik verkondigd dat de jaarlijkse griepprik niet effectief was, op basis van het beste wetenschappelijke bewijs dat er lag. De overheid had ons in die boodschap moeten steunen, maar in plaats daarvan werd ik aangevallen. Als de overheid zo onzorgvuldig met wetenschappelijk bewijs omgaat, dan roep je reacties over jezelf af. Wij analyseren de wetenschappelijke gegevens en stuiten op dubieuze zaken. Dan kun je ons niet verwijten dat wij problemen veroorzaken, dat is de omgekeerde wereld.”

 

Als de professional de kwaliteit van wetenschappelijk onderzoek al niet goed kan beoordelen, hoe moet dan een zorgconsument vertrouwen op de professional? Publicaties zoals die van Dick Bijl leggen dubieuze wetenschappelijke studies onder een vergrootglas en versterken het onderbuik gevoel van de kritische zorgconsument. Dat zijn (terecht) kritische houding binnen de medische wereld niet overal gewaardeerd wordt moge duidelijk zijn.

 

Yvonne van Stigt, master in de klinische Psycho neuro Immunologie

Vaccinaties

Het kan je de afgelopen weken niet ontgaan zijn, de strijd om de vaccinatieverplichting is weer losgebarsten. Je kunt geen krant openslaan, Facebook openen of je wordt werkelijk overspoeld met pro- of antivaccinatie artikelen. Want ik hoor eigenlijk maar twee geluiden; je bent voor of tegen vaccinaties. Iets genuanceerds heb ik maar weinig gezien.

 

Je wordt al snel als antivaxxer bestempeld op het moment dat je het aandurft om kritische vragen te stellen. De sfeer wordt op allerlei fora al snel heel grimmig.

 

Jammer.

 

Wat is er mis met het stellen van kritische vragen?

 

Ik denk dat wanneer mensen boos worden als je kritische vragen stelt, zij naar alle waarschijnlijkheid geen goed antwoord kunnen geven. Boos worden is onmacht.

 

Hoe komt dat nu dat hoogopgeleide mensen hun kinderen niet meer klakkeloos laten inenten? Zijn deze mensen zo dom als overal gesuggereerd wordt? Of zijn zij zelf wetenschappelijk opgeleid en zien zij dat er ook nadelen kunnen kleven aan vaccinaties?

 

Hoe harder de politiek en overheidsinstanties gaan roepen dat er een vaccinatieplicht moet komen, hoe meer weerstand er ontstaat. Logisch toch?

 

Wanneer je als ouder van een kind met vaccinatieschade niet serieus genomen wordt, niet gehoord wordt, de vaccinatieschade afgedaan wordt als anekdotisch bewijs en daarom niet geregistreerd wordt en je zelf op zoek moet gaan naar oplossingen die uiteindelijk een vermogen kosten, wil je anderen daarvan op de hoogte stellen. En dat is precies wat er gebeurt op internet.

 

Het zijn juist deze mensen die dingen uitpluizen, onderzoeken en delen met anderen. Zij zijn het vertrouwen kwijt in de overheid en sjoemelende wetenschappers (weet je nog, het Mexicaanse griepdebacle?).

 

Dat vertrouwen krijg je niet terug door te dreigen met dwangmaatregelen.

 

Dat vertrouwen komt misschien weer terug met transparantie, met het financieren van onderzoeken die aantonen wanneer een kind beter wel of niet gevaccineerd kan worden. Je kweekt vertrouwen door te onderzoeken wat de risicofactoren zijn en hoe je deze zou kunnen verminderen, door onderzoeken naar de gevolgen van wel of niet vaccineren op het ontstaan van andere aandoeningen. En je kweekt vertrouwen door naar mensen te luisteren.

 

Zou het niet eens tijd worden dat ouders van kinderen met vaccinatieschade serieus genomen worden? Dat zij niet hoeven strijden voor erkenning, dat zij niet meer hoeven aan te horen dat het allemaal anekdotisch is, of dat hun kindje vast al met neurologische schade geboren is?

 

Zolang er nog een heleboel vragen onbeantwoord zijn en we gewoon nog heel veel niet weten, denk ik dat ouders het recht hebben om vooraf vragen te stellen, bijsluiters te lezen, onderzoeken uit te pluizen en dan zelf te beslissen of ze hun kindje willen laten vaccineren.

 

Vragen stellen en kritisch zijn maakt je nog geen anti-vaxxer. Stel je vragen!

  • Hoe groot is het risico dat mijn kindje overlijdt door de mazelen? Zijn daar cijfers van?
  • Hoe weet ik of mijn kindje risico loopt op vaccinatieschade?
  • Waar vind ik de bijsluiter van een vaccinatie? Welke bijwerkingen staan daarop vermeld?
  • Moeten al die vaccinaties wel tegelijk gegeven worden, of kan dat ook in een ander tempo?
  • Zijn er studies die aantonen dat vaccinaties veilig zijn?
  • Zijn er studies gedaan naar de veiligheid van vaccinatiecocktails?
  • Wat gebeurt er op de lange termijn met het immuunsysteem van mensen als je geen kinderziektes doormaakt, maar door vaccinaties daar tijdelijk tegen beschermd bent?
  • Zou er een relatie kunnen bestaan tussen vaccineren en het ontstaan van andere aandoeningen zoals bijvoorbeeld allergieën?
  • Baby’s worden pas ingeënt tegen mazelen op een leeftijd van ongeveer 14 maanden. Is mijn kindje tot die tijd beschermd door de antistoffen van de moeder? Maar wat nu als de moeder die antistoffen niet heeft? Of als zij geen moedermelk geeft waardoor de baby immunologisch minder beschermd is? Kan het kindje geweigerd worden op het kinderdagverblijf?
  • Kunnen net gevaccineerde kinderen andere kinderen besmetten met de virussen?
  • Zijn ongevaccineerde ouderen voor mijn kindje een bedreiging?
  • Als ik besluit mijn kindje voor sommige virussen niet te laten inenten, is het dan een gevaar voor andere kinderen?
  • Kan een kinderdagverblijf of school mij verplichten om mijn kind te vaccineren?

 

Voor de goede orde, ik spreek mij niet uit tegen vaccinaties, ik denk persoonlijk wel dat er nog teveel onduidelijk is over de eventuele gevolgen van het huidige vaccinatiebeleid op de lange termijn om nu drastische maatregelen te nemen.

 

Yvonne van Stigt, master in de klinische Psycho Neuro Immunologie

 

PS. In een vorig blog over dit onderwerp heb ik een inkijkje gegeven in een van de biochemische processen die door vaccinaties (over)belast kunnen worden.

Wanneer je op Wikipedia zoekt op orthomoleculaire behandelwijze krijg je de volgende definitie: “Een orthomoleculaire behandelwijze is een alternatieve behandelwijze met voedingsstoffen in doseringen die vaak ver boven de aanbevolen dagelijkse hoeveelheden (ADH) uitkomen, die door de behandelaars “optimaal” worden genoemd. De behandelwijzen zijn gebaseerd op pseudowetenschappelijke aannames. De wetenschappelijke consensus is dat het nut van hoge doseringen vitaminen en mineralen onvoldoende is aangetoond.”

 

Tja, die hoge dosissen zijn niet meer van deze tijd. Dat is de ‘oldschool’ benadering. Geen wonder dat de reguliere geneeskunde niets van een orthomoleculaire aanpak wil weten.

 

Jammer genoeg dringt het nog niet door dat de moderne orthomoleculaire benadering juist probeert om de biochemie van een mens op subtiele wijze weer in balans te brengen. Althans, dat leren wij onze studenten bij het OPFG.

 

En dat de wetenschappelijke consensus is dat het niet is aangetoond dat hoge doseringen nut hebben is dus logisch. Daar ben ik het wel mee eens. Hoge doseringen hebben nu eenmaal niet altijd nut. Soms wel, maar daar zijn dan ook wel onderzoeken over te vinden. Om die dan pseudo wetenschappelijk te noemen… dat laat wel zien hoe men naar ons kijkt.

 

In hetzelfde Wikipedia artikel staat ook nog iets heel interessants. “Orthomoleculaire behandelaars hebben ook een praktisch probleem: om de principes te kunnen toepassen moeten ze eigenlijk precies weten hoe het met de hoeveelheden van allerlei micronutriënten en producten van het metabolisme in iedere individuele patiënt is gesteld. Dat is in de praktijk onmogelijk. Dit is de reden van de veel gebruikte proefbehandelingen, waarbij van een stof waarvan wordt verondersteld dat er een tekort aan bestaat een extra suppletie wordt gegeven en wordt gekeken of het helpt. Een proefbehandeling bij één patiënt is in wetenschappelijk opzicht geen gebruikelijke strategie, waarbij bovendien de patiënt en de arts allebei weten wat er wordt gegeven.”

 

Hier wordt gesteld dat het onmogelijk is om te bepalen hoe het met de individuele biochemie van het individu van het individu is gesteld. En dat is nu precies wat wij onze cursisten wel leren. Hoe kun je ontdekken wat er precies aan de hand is?

 

Er zijn vele diagnostische mogelijkheden:

  • Een anamnese, ofwel vragen stellen aan de cliënt.
  • Fysieke kenmerken die zichtbaar of voelbaar zijn (nagels, tong, huid en dergelijke).
  • Bloedonderzoek wat laat zien welke stoffen er in het bloed aanwezig zijn.
  • Urineonderzoek waarmee de hele biochemie in kaart gebracht kan worden.
  • Ontlastingsonderzoek, waarmee je kunt aantonen wat er in de spijsvertering gebeurt.
  • Inspanningstesten
  • Hartslag testen
  • Bloeddruk bepalingen etc….

 

Vervolgens wordt er gesteld dat het geven van proefbehandelingen in wetenschappelijk opzicht geen gebruikelijke strategie is.

Hmm….

 

Ik denk dat er in de artsenpraktijk heel vaak met proefbehandelingen gewerkt wordt. Wie zich meldt bij de arts met depressieve klachten zal wanneer de arts een antidepressivum besluit voor te schrijven ook gewoon beginnen met het middel wat boven aan het protocol lijstje staat. Als dat niet werkt wordt overgestapt op het volgende product om te zien of het werkt. Naar mijn idee is dat net zo goed ‘trial and error’ als wanneer een orthomoleculair behandelaar op basis van het klachtenpatroon en onderzoek besluit om magnesium in te zetten bij spierkrampen.

 

Ik moet de eerste arts nog tegenkomen die eerst onderzoek doet om te bepalen welk type antidepressivum hij moet voorschrijven. Maar hopelijk zijn die er wel en heb ik het helemaal mis.

 

Wij worden nog maar al te vaak weggezet als kwakzalvers terwijl in gesprek met artsen, zij allemaal verbaasd reageren op het niveau van onze biochemische kennis. Regelmatig wordt dan de vraag gesteld waarom deze kennis in de reguliere geneeskunde niet aangeboden wordt.

 

De moderne Orthomoleculaire geneeskunde gooit niet meer met hoge dosissen supplementen. Een te hoge dosis vitaminen kunnen (net zoals te hoge doses medicijnen) problemen geven. Een teveel vitamine D of vitamine B12 kan zorgen voor een tekort aan kalium, een teveel aan ascorbinezuur kan zorgen voor het ontstaan van nierstenen, een teveel aan vitamine B6 kan zorgen voor neuropathie, een te hoge dosis magnesium kan zorgen voor diarree.. Maar dat hoeft allemaal niet, dat hangt helemaal af van de individuele biochemie. Weet dat meer niet altijd beter is!

 

In de orthomoleculaire geneeskunde gebruiken we een uitgebalanceerd individueel voedingspatroon als basis voor een gezond metabolisme. Niet iedereen krijgt het advies om ketogeen te gaan eten, net zo min als we adviseren dat de schijf van vijf voor iedereen gezond is.

 

Daarnaast zullen wij op zoek gaan naar de oorzaken van de verstoringen. En die kunnen liggen in een verstoord slaappatroon, stress, een toxische belasting of nog vele andere factoren. En dan kunnen we met behulp van individuele lifestyleadviezen en/of suppletie iemand weer in balans brengen.

 

Het oplossen van een persoonlijke puzzel doe je niet op basis van epidemiologisch onderzoek, dat kan alleen met voldoende kennis van de biochemische systemen van het lichaam. Die kennis vind je bij het OPFG. We hebben daar woensdagavond 22 augustus een open avond. Je kunt je daar nog voor inschrijven!

Yvonne van Stigt, master in de klinische Psycho Neuro Immunologie

We hebben er waarschijnlijk allemaal wel eens last van, een opgeblazen buik. Zeker na het eten van uien, erwtensoep of bruine bonen kan je buik door gasvorming behoorlijk opzwellen. Nu is een klein beetje bolling geen probleem, maar als je na het eten echt buikpijn krijgt, je broek niet meer dicht kan totdat de gassen een uitweg gevonden hebben, dan is er toch wel iets aan de hand wat niet helemaal klopt.

 

Hoe kom je nu aan zo’n opgeblazen buik?

 

Zoals je al wel gemerkt zult hebben, zijn het gassen die je buik opblazen. Die gassen worden meestal geproduceerd door bacteriën, parasieten of gisten, maar ook het drinken van koolzuurhoudende dranken zorgt voor gasvorming. Gelukkig raak je koolzuur meestal snel weer kwijt door eens flink te boeren.

 

Het idee dat je een opgeblazen buik krijgt doordat je lucht inslikt bij het eten kunnen we wel naar het rijk der fabelen verwijzen. Knappe jongen die zoveel lucht inslikt dat je buik ervan opzwelt.

 

Een gezonde spijsvertering begint in de mond. Goed kauwen helpt om voldoende enzymen te produceren, zodat je voedsel optimaal verteerd kan worden. Grote brokken doorslikken maakt het er dus niet beter op.

 

Na de voorbewerking in je mond zakt de voedselbrij naar je maag, daar wordt maagzuur geproduceerd met daarin pepsine, een eiwitsplitsend enzym. Als je ouder wordt, zal de maagzuurproductie verminderen en de vertering verslechteren. Onverteerde eiwitten (door een maagzuurtekort) zijn een heerlijke voedingsbron voor rottingsbacteriën in je darm, dat ruik je ook aan je uitlaatgassen. (Alsof er iets doodt gaat in je darm.)

 

Naast het enzym pepsine in de maag heb je nog meer eiwit,- koolhydraat,- en vetsplitsende enzymen nodig, deze worden geproduceerd in de lever en alvleesklier en via de galvloeistof naar de darm vervoerd. Als er iets mis gaat in de lever, galblaas of alvleesklier loopt de vertering niet optimaal en voed je de dierentuin in je buik met onverteerd voedsel. En dat geeft gasvorming.

 

Wanneer je last hebt van gasvorming na het eten van suikers en snelle koolhydraten zou een teveel aan gisten en schimmels wel eens de oorzaak kunnen zijn. Hoe sneller na het eten je buik opblaast, hoe hoger in het spijsverteringskanaal de gassen geproduceerd worden. In de dunne darm zijn normaliter niet veel bacteriën aanwezig, wanneer deze daar wel te vinden zijn noemen we dat een SIBO. Ik heb daar al eens eerder over geschreven.

 

Maar wat kun je er nu aan doen?

 

Ik zou niemand willen adviseren om met probiotica het probleem te lijf te gaan. Je kunt tenslotte je vertering niet verbeteren door extra bacteriën toe te voegen. De kans bestaat zelfs dat je het hiermee erger maakt. Ook prebiotica (vezels) die als voeding dient voor de goede darmflorabacteriën is vaak geen goed plan.

 

Ik zou allereerst inzetten op het verbeteren van de vertering via het maagzuur en de productie van enzymen door de lever en de alvleesklier. Iets wat veel mensen niet weten is dat de maagzuurproductie gestuurd wordt door de bijnier. Als je stress hebt, kan de maagzuurproductie hier dan ook onder lijden.

 

Om maagzuur te maken, heb je chloor nodig. Nee geen bleekwater, maar het element chloor, of chloride. Dat vind je in tafelzout (natriumchloride), daarin zit chloride gekoppeld aan natrium. Een teveel aan natriumchloride in je eten is ongunstig, maar een tekort aan chloride kan ook grote gevolgen hebben.

 

Vaak kan het gebruik van wat citroensap voor de maaltijd de maagzuurproductie verbeteren. Zelf de productie van spijsverteringsenzymen verbeteren is niet zo makkelijk, je kunt daarvoor beter de hulp inroepen van een deskundige.

 

Het bestrijden van een teveel aan parasieten, schimmels, gisten en bacteriën is ook geen doe het zelf klus. Je weet ten slotte niet wat er precies aan de hand is in je buik en een therapie baseren op giswerk is niet verstandig.

 

Yvonne van Stigt, master in de klinische Psycho Neuro Immunologie

Laat je niet misleiden door de titel, denk niet dat je bij hypoglykemie altijd extra mangaan moet gaan slikken. Hypoglykemie wordt nu eenmaal niet altijd veroorzaakt door een mangaantekort. Er zijn namelijk meerdere oorzaken voor hypoglykemie.

 

Maar misschien moet ik eerst even uitleggen wat het eigenlijk is. Hypoglykemie wordt soms wel eens (onterecht)het tegenovergestelde van diabetes genoemd omdat bij diabetes de bloedglucosewaarde verhoogd is en bij hypoglykemie juist verlaagd. Die lage bloedglucose geeft een naar trillerig gevoel, je MOET dan gewoon iets eten, als je dat niet doet krijg je de neiging om iemand te vermoorden.

 

Hypoglykemie is een symptoom, geen ziekte. Het gaat eigenlijk niet om die bloedglucosespiegel, dat is maar een uiting van een onderliggend probleem. En juist dat probleem is belangrijk. Anders zou je bij hypoglykemie met wat extra druivensuiker en bij diabetes met wat extra insuline het probleem oplossen. En dat is helaas niet het geval, dat is alleen symptoombestrijding (met alle gevolgen van dien).

 

Maar goed, wat kan er dan aan de hand zijn bij hypoglykemie?

 

Er zijn veel verschillende oorzaken van een laag bloedsuiker: Nutriëntentekorten zoals mangaan, chroom, magnesium, zink, vanadium en dergelijke. Maar hypoglykemie kan ook ontstaan wanneer er bijvoorbeeld iets hapert in je metabolisme, bij ontstekingen, leveraandoeningen, insuline resistentie of langdurige stress.

 

Over al die andere oorzaken zal ik het vandaag niet hebben, ik belicht nu dus alleen mangaan.

 

Mangaan is heel belangrijk in de gluconeogenese, de nieuwvorming van glucose uit bijvoorbeeld eiwitten. Het lichaam gaat normaliter bij een glucosetekort glucose maken, als het niet over kan gaan op het verbranden van vetten. Bij het ombouwen van eiwitten naar glucose wordt gebruik gemaakt van een mangaanhoudend enzym, pyruvaatcarboxylase (sorry, moeilijk woord).

 

Maar in welke situaties heb je een glucosetekort en wanneer ga je niet over op het gebruik van vetten als brandstof?

 

Mensen die energie produceren via de anaerobe verbranding kunnen op dat moment geen vetten als brandstof gebruiken en stappen dus over op het maken van glucose, als ze geen koolhydraten eten. Dat kan gebeuren bij sporters die iets te intensief trainen of bij mensen die vaak moe zijn.

 

Wie hierover meer wil weten kan zich na de zomer aanmelden bij het OPFG voor een meerdaagse cursus. Nog heel even geduld, wie zich aanmeldt op de nieuwsbrief wordt automatisch op de hoogte gehouden.

 

Er is dus mangaan nodig om glucose te maken als alle voorraden op zijn. Als dat niet lukt voel je dat, je moet dan iets eten, je gaat trillen en je wordt een beetje misselijk. Je kunt je misschien wel voorstellen dat mensen die vaker glucose maken dan anderen omdat ze minder makkelijk vetten als energiebron gebruiken, meer mangaan nodig hebben om de bloedglucose stabiel te houden.

 

Bij gezonde mensen zal dit geen probleem zijn, maar wanneer je ook veel mangaan nodig hebt om ammoniak af te breken wat door darmpathogenen (van die beestjes in je buik) geproduceerd kan worden, of door het gebruik van aminozuren als brandstof, loop je de kans dat je niet voldoende mangaan beschikbaar hebt.

 

In de opleidingen bij het OPFG leggen we nog meer functies van mangaan uit, ik zal ze in het kort voor de geïnteresseerden even noemen. Mangaan is betrokken bij de opbouw van collageen (bindweefsel) en bij de opbouw van de zogenaamde Glycosaminoglycanen, bijvoorbeeld in de darm. En dan is mangaan ook nog belangrijk voor de omzetting van glutamaat in glutamine, de botontwikkeling en als onderdeel van het anti-oxidantenzym SOD.

 

Kortom, het is onmisbaar….. Waarom dan toch niet allemaal aan de mangaan?

 

Nou, dat is nu net het probleem. Een tekort mangaan geeft heel veel problemen, maar een teveel ook. Een overmaat mangaan is echt toxisch. Het veroorzaakt zelfs een echte aandoening; manganisme, met verschijnselen die lijken op de ziekte van Parkinson. Er zijn mensen die gediagnosticeerd zijn met de ziekte van Parkinson, maar die niet reageren op de medicatie. Het is mogelijk dat zij lijden aan manganisme, een vorm van Parkinsonisme.

 

Je vindt mangaan in granen, rijst, noten, bladgroenten, fruit, vlees, vis en thee, dus een tekort door je voedingspatroon is voor mensen die gevarieerd eten niet zo heel erg voor de hand liggend. Vandaar dat er in de geneeskunde wordt gedacht dat tekorten niet vaak voorkomen. Na het lezen van dit blog weet je inmiddels dat er omstandigheden zijn waarin er wel degelijk tekorten kunnen optreden.

 

Hoe ontdek je nu of je een mangaantekort hebt?

 

Tja, dat is niet zo eenvoudig.

 

Een mangaantekort in het bloed is een duidelijk signaal, maar als er in het bloed niets te zien is, weet je nog niets over de situatie in de cellen. Er is tenslotte ook nog de mogelijkheid dat er iets misgaat in het transport van mangaan de cel in of uit. Met een haarmineralenanalyse kun je een tekort meten, of als dat allemaal niet kan, kun je met behulp van de klinische symptomen bekijken of er een sprake is van een mogelijk tekort.

 

Kortom, het is niet simpel, maar dat is het eigenlijk nooit in het lichaam.

 

Mocht jij nu een aantal symptomen hebben van een mangaantekort, dan kun je dit laten onderzoeken bij een orthomoleculair therapeut. Ik vrees dat je huisarts niet de mogelijkheden kent om je hierbij te helpen.

 

Yvonne van Stigt, master in de klinische, Psycho, Neuro, Immunologie